zaterdag 12 januari 2019

RADNA FABIAS TUSSEN PALM- EN CACTUSSCHADUW



De afgelopen weken heb ik in meerdere Amsterdamse boekwinkels de bundel Habitus van Radna Fabias in handen genomen. De uitgave kreeg veel lof, waaronder die van de jury van de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. Midden dertig, Radna Fabias, had ik begrepen, geboren op Curaçao. Even vaak heb ik de bundel na wat geblader teruggelegd. Ik zag opsommingen. Heel wat ‘nieuwe’ poëzie bestaat uit opsommingen en veel van die opsommingen schijnen me, wanneer ik ze lees, plakwerk van de willekeur. Ook ziet veel ‘nieuwe’ poëzie er typografisch nogal willekeurig uitwaaierend of zelfs vormloos uit, waarbij ik vaak de indruk heb dat wat er staat net zo goed als proza gezet had kunnen worden; alsof het vooral ongrijpbaar, afwijkend en daarmee poëtisch wil lijken. Proza-achtig uitgewaaier meende ik ook in Habitus te zien.
         Maar waarom bladerde ik er dan toch meer dan één keer, wel een stuk of vijf keer in? Ik meende zojuist het antwoord te weten – want ik zit inmiddels met de bundel in huis –, ik wist echter ook meteen dat het niet klopte, want ik zag en ervoer het zojuist pas, dus na aanschaf.
         Een van de gedichten begint zo:
nu werpen de aangelegde palmbomen hun beweeglijke schaduw op het bed waarop ik lig
vraag me niet of ik bang ben

de schaduw van de cactus die daar wel thuis is, is een onbeweeglijke fallus op de muur tegenover het bed waarop ik lig
vraag me niet of ik bang ben
Bij mij leveren die twee observaties over de schaduwen van de palmen en de cactus onmiddellijk associaties op met een roman die ik buitengewoon waardeer: La jalousie van Alain Robbe-Grillet. De eerste zin zou zomaar een hoofdstukopeningszin van de Fransman hebben kunnen zijn. Objectief ogend waarnemingsverslag bij wijze van ruimteschepping én sfeerschildering. En daarnaast of, beter, er onlosmakelijk mee verbonden: de sfeer van de Tropen, van de Caraïben, de Antillen. Robbe-Grillet werkte als landbouwingenieur op Martinique, een van de Kleine Antillen waar ook Fabias’ Curaçao toe behoort… Maar het gaat uiteraard niet louter om de coïncidentie van het voor mij exotische. Trouwens, het is niet waar dat Fabias’ zin er een van Robbe-Grillet had kunnen zijn; daarvoor mist die zin iets, te weten een redacteur. Want palmbomen zelf leg je niet aan, wel bijvoorbeeld een palmboomplantage.*
         Vervolgens zou Robbe-Grillet het ook niet meteen over ‘angst’ hebben gehad. Maar mij bevalt de manier waarop Fabias dat wel doet. Vraag me er niet naar, zegt ze. In taal is ‘niet’ altijd ook eerst even ‘wel’, om iets te ontkennen moet het immers worden opgeroepen. Dat levert hier een emotioneel (psychisch?) geladen ruimte op tussen de beweeglijke palmschaduwen en de fallusvormige cactusschaduw.
         Maar zoals gezegd las ik deze regels pas thuis. Ze doen me echter denken dat ik er tijdens mijn bladermomenten een vermoeden van moet hebben gekregen dat Radna Fabias veeleer een waarneemster is die zichzelf behoedzaam in haar waarnemingen positioneert, dan dat ze behoort tot de dichteressen (ja, het zijn steevast vrouwen) die poëzie schrijven alsof ze op een Weense sofa uit zichzelf liggen te kakelen. Voor mij, psychoanalist noch cliënt in de Berggasse, levert dat teksten op waarvan ik denk: ‘Genydé!’ (om de te ijken uitdrukking van Fabian Stolk te gebruiken). Ik behoor tot het wellicht gehandicapte of beperkte type mens dat om in de kunsten mee te kunnen voelen ook of zelfs allereerst mee moet kunnen waarnemen, zo concreet mogelijk. En Radna Fabias laat me dat doen, is mijn indruk tot dusver, uiteraard omdat ze dat zelf ook zo doet.

in het voorbijgaan

het gewicht van een over het asfalt razende auto
botst tegen het lichaam van een hond
de chauffeur is niet verzekerd en rijdt door
met een hondvormige deuk in zijn auto

de hond piept na

de stervende hond wordt nu herhaaldelijk overreden door elkaar opvolgende auto’s
het geluid van brekende botten stijgt op naar de zuiver blauwe hemel boven het asfalt waar de stervende hond blijft liggen

hier zucht de hond het leven uit

de dode hond ligt nu in de hitte
het lijkt alsof de hond in zijn eigen bloed slaapt

nu zwelt de hond op

de hond lijkt nu overgewicht te hebben
twee van de vier verbrijzelde poten wijzen naar de lucht

de hond is opgezwollen

nu ontploft de opgezwollen hond
de warme ingewanden van de gestorven hond springen uit zijn lichaam
de gestorven hond een huls

het vermorzelde karkas van de hond lijkt nu op een leeggelopen bloedballon of een heel vies kleedje
de stank stijgt op naar de zuiver blauwe hemel boven het asfalt waar de gestorven hond blijft liggen

de hond is nu omringd door vliegen
        

Lang niet altijd is het bijna voortdurend zo concreet, maar het gedicht – of is het een gerekt en gekapt, kapitaal- en leestekenloos stuk proza? Wat doet genre-indeling er soms toe? – toont Fabias als nauwlettend waarneemster, met daarnaast of daardoor oog en gevoel voor (poëtische) contrastwerking (want waarom is de lucht twee keer een ‘zuiver blauwe hemel’?). In geen geval, d.w.z. in geen van de gedichten/teksten wordt het voor mij genydépoëzie. Wat weer allerminst wil zeggen dat elk geschetst tafereel even realistisch zou moeten zijn, dat verbeelding en fantasie geen rol mogen spelen en dat ik meteen alles logisch kan of moet kunnen vatten, dat ik principieel wars ben van poëtische beelden!
         Overigens heb ik net zomin veel op met opsompoëzie die uitsluitend uit observaties of vermeldingen van feitelijkheden lijkt te bestaan (meestal door mannen geproduceerd), blijkbaar met de bedoeling dat ik het zelf tussen de elementen moet doen vonken.
         Mijn indruk tot nu toe is dat Radna Fabias mijn sympathie en aandacht heeft omdat haar beeldopsommingen inventarisaties zijn van samenhangende, in elkaar overvloeiende waarnemingen die ze uitvoert of uitgevoerd heeft zonder daarbij op zichzelf te focussen, alsof zo’n ‘zelf’ alleen bestaat in de context van de beelden; ook als ze ‘ik’ zegt, zelfs als ze zichzelf beschrijft, zoals bij een controle op het vliegveld, doet ze dat met terughoudendheid terwijl haar beelden allerminst schroomvallig zijn, alsof ze er in, uit of achter te voorschijn wil komen zonder zichzelf daarbij voor de voeten te lopen… Ach, het is nog maar een ydé, maar het zet tot verder lezen en herlezen aan.

* Een taalkundige wees me er inmiddels op dat een 'aangelegde palmboom' een metonymia en daarmee correct zou zijn. Fraaier wordt de taal er daardoor voor mij niet op; zelf zou ik het nooit over een 'aangelegde palmboom' hebben, tenzij de palmboom gebruikt zou worden als vervoermiddel op het water, zoals een roeiboot of kano.