woensdag 14 december 2016

DE KLEUR VAN EEN SPREI



Hoe bepaalt een schrijver van literair proza de keuze van een kleur wanneer hij die wil benoemen? Ooit heb ik opgemerkt dat ik niet goed kan begrijpen dat een auteur schrijft dat er ergens in Nederland Oost-Indische kers bloeit, maar verder Oost-Indisch doof blijft voor die door hem gebruikte benaming, ik bedoel zonder dat Oost-Indië verder ook maar de minste rol speelt in zijn vertelling of roman. Voor een schilder is dat heel anders, die hoeft zich, net als de bloeiende plant zelf, geen snars aan te trekken van de benaming ervan. Maar een schrijver is een man voor, met, in en uit woorden als het goed is. Ervan afgezien dat ik van mening ben dat een schrijver zich verre moet houden van wat een schilder daadwerkelijk kan, met kleuren schilderen, vind ik dat hij zoveel mogelijk moet luisteren naar de letterlijkheid van zijn woorden en dus ook van de woorden die kleuren benoemen. Pruisisch blauw vraagt om Pruisen, ultramarijn om iets van over verre zeeën, asblond om as, kastanjebruin om minstens een boom, kanariegeel om een klokkende of rollende waterslag. Wanneer een kleur in een verhaal net zo goed een andere had kunnen zijn, bijvoorbeeld als het verder niets uitmaakt of een bloesje groen of bruin is, is de kleurbenaming een overbodigheid plus een onderschatting van de lezer: die kleurt namelijk heus wel zelf in.
            In de roman die ik redactioneel aan het doornemen ben ligt een mannelijk personage op een hotelbed: ‘Hij had zijn schoenen uitgedaan en lag met zijn sokken, broek en overhemd aan op het met een bloedrode sprei bedekte bed.’
            Had die sprei niet net zo goed blauw of wit kunnen zijn? Nee, want drie regels tevoren ‘was hij even stil blijven staan voor de etalage van een fraaie oude kapperszaak, waar klassiek open scheermessen van het merk Il Ceppo werden verkocht’ en had hij overwogen er een te kopen.

© HB