zondag 30 augustus 2015

IN WERKELIJKHEID




‘In werkelijkheid,’ lees je op het bordje naast het schilderij,

‘is Jan Weissenbruchs poort’ van Leerdam, waardoor je de stad

uit kijkt naar weiland met grazend vee, ‘een omgedraaide’, zie je



dus de toegangskant, want die was fraaier. In werkelijkheid was

rechts ook niet rechts en misschien strooide de meid met haar

linker het voer voor de zwarte kippen, of waren het witte, waaide



het flink en voer het zeilschip langs, terwijl je nu enkel de boegspriet

en, boven de gaanderij van de stadsmuur, de masttop met takelage

ontwaart, alsof het stilligt,  in een vaart, en wie weet kwam er geen



oude man aan om te gaan zitten op de stenen bank, praatte de vrouw

met de wasmand niet maar schold ze omhoog, enzovoort. De poort

in werkelijkheid is allang en breed verdwenen. Of ik dat betreur? Nu



ik hier deze met sfeer en al heb? Ooit leerden we op school ‘Leerdam:

glasindustrie’, maar ik was er net zo min als in de Aleppocitadel toen

daar vredig op banken werd gezeten, duiven hun til wel weer vonden,



honden mank noch schichtig liepen, een vrouw met kind halt hield om

een praatje te maken met een man, al dat er in werkelijkheid nu geheel

omgekeerde, en nooit eerder zag ik zo Weissenbruchs tafereel: geschonden.


© HB

woensdag 19 augustus 2015

RILKEKATJES




Ik heb de hebbelijkheid bij het lezen van poëzie en proza extra alert te zijn wanneer het gaat om verschijnselen in het planten- en dierenrijk, vooral wanneer er cicaden, krekels of sprinkhanen ter sprake komen, en bij hagedissen en salamanders, diersoorten die nogal eens met elkaar worden verward. Ik ben namelijk van mening dat een literair schrijver goed moet kijken naar het gedierte des velds in die zin dat hij er in elk geval de juiste benaming voor moet gebruiken, uit benamingen, woorden dus bestaat immers zijn materiaal. En ook biologen kunnen tot zijn lezers behoren.
        Gisteren vond ik er weer een. In De onderwaterzwemmer* van P.F. Thomése. In die roman wordt melding gemaakt van het geluid van cicaden in de hitte van de dag ergens in Zuid-Afrika. Oké. Maar op een gegeven moment wordt het donker, en het is al erg koud geworden: ‘De rillingen jagen [ervan] door zijn lijf,’ heet het over de hoofdpersoon in een auto. En dan: ‘Buiten razen de cicaden, hoort hij nu. Het is een kolereherrie.’ Maar de mannetjes van de zogenaamde zangcicaden maken pas geluid zo gauw het rond de 25 graden is, en dat alleen maar wanneer het licht is.
        Fout dus. Is dat erg? Fouten maken is menselijk, maar wanneer een auteur zo’n fout niet erg vindt vind ik dat pas echt erg.

Rainer Maria Rilke was veel, zo niet alles gelegen aan de waarneming van de wereld om hem heen. En aan kiene, zelf goed waarnemende lezers. Maar zelfs hij was niet feilloos.

Aber erweckten sie uns, die unendlich Toten, ein Gleichnis,
siehe, sie zeigten vielleicht auf die Kätzchen der leeren
Hasel, die hängenden, oder
meinten den Regen, der fällt auf dunkles Erdreich im Frühjahr. –

Und wir, die an steigendes Glück
denken, empfänden die Rührung,
die uns beinah bestürzt,
wenn ein Glückliches fällt.

Dat staat in zijn ‘Tiende elegie’. De cursiveringen maken duidelijk dat stijgen en vallen hier van groot (bewegings)belang worden geacht. Vandaar ook het beeld van de katjes van de hazelaar, van hun neerhangen.
        Maar díe katjes hingen daar aanvankelijk niet… In eerste instantie had Rilke het over ‘die Kätzchen der leeren / Weide, die hängenden’. Tot een mevrouw Elisabeth Aman-Volkart hem erop attendeerde dat katjes van de wilg helemaal niet hangen, maar veeleer staan!
        Rilkes reactie siert de dichter en laat eens te meer diens grootheid, want respect voor zowel de natuur als de kunst zien - en voor zijn attente lezers:
‘Ik ben overtuigd! Er bestaan dus geen “hangende” wilgenkatjes, en als er een of andere zeldzame tropische uitzondering zou bestaan, dan kon ik die toch niet gebruiken. De gedichtpassus die ik wilde controleren op zijn feitelijke juistheid, staat en valt ermee dat de lezer met zijn eerste gevoel juist dit vallende van de katjes vat en oppakt, anders verliest het daar gebruikte beeld zijn betekenis. (…) Ik weet dus wat ik had moeten weten en verruil in de tekst “wilg” voor “hazelaar”.’

* Naderhand hier of misschien elders meer over mijn lectuur van dat boek.

maandag 27 juli 2015

GEDURIG NADER

















Had niet Aelbert Cuyp maar ik in het midden

van de 17de eeuw het Bergachtig landschap met

ruiter en veedrijvers geschilderd (nu in Londen

te zien), was ook ik me gaan wijden aan bidden



de rest van mijn leven, dankend dat me gegeven

werd al dit zo te kunnen voorstellen als net

echt, dus ergens op deze aarde, als bestonden

daar die eiken, de wolken die stilaan aandreven



voor de nacht terwijl ze, zoals heel het tafereel

met de stad boven kalm water, de bergen erachter,

de koeien rustend op het pad, de ruiter die de weg

vraagt aan de jongen die ze hoedt, saffraangeel



van onderaf werden beschenen (‘door des Heren

Licht,’ naar iconologen beweren), met een zachte,

laatste gloed, geloofd en geprezen had ik en echt

niet omdat het moest. Kunstgeleerden suggereren



dat zo gauw de bijbelzwarte Cornelia Bosman

met Cuyp getrouwd was, zij hem verbood ooit nog

iets af te beelden, en dat hij van de Nederlandsch

Hervormde Gemeente diaken werd, weshalve van



na zijn veertigste geen enkel werk bekend is.

Had niet Aelbert Cuyp maar ik ergens in de, och,

loop der voorbije eeuwen het Bergachtig land-

schap met ruiter en veedrijvers geschilderd, gewis



had ik het geweten: onverbeterbaar dit. Tot het knalt,

er nog wat fladdert misschien en valt. Niet die ene

watervogel alleen, waar de verscholen jager geruisloos

op heeft gemikt, maar het water waarover het schalt,



de weerspiegelde torens, al wat opschrikt, het pad,

de schaapskudde die op de ruiter wacht, de benen

onder het paard, herkauwend vee dat zich verslikt,

de bomen, onderhout, oevergras, het groot hoefblad,



de bergen zelfs en heel de hemel in en buiten beeld

(ooit sneed men al 17 cm van de lucht), ja, ook de jager

zelf verdwijnt praktisch op slag in dag noch nacht.

Maar tot alles gat is is het mooi wat nooit verveelt:



de ruiter die de weg vroeg, de kudde schapen gehoed

om op zijn komst te wachten, de blik van de vrager

al op de overzijde gericht, de jongen echter die achter

hem wijst, dat hij dus niet verder kan, maar om moet



keren (‘De Here!’ – de iconologen weer). Psalmodiëren

zou ik als Aelbert Cuyp in zijn galmende Dordtse kerk,

ongeïnteresseerd in mijn einde, de maat mijner dagen,

want gedurig nader, niet slechts vanwege dat geweer en



de vinger aan de trekker (‘Gods’): heel het verschiet,

ieder en alles, inclusief het nazomers valavondzwerk.

Wie dit Berglandschap met ruiters en veedrijvers zagen

bekeken het in het licht dat het me mee scheppen liet.


© Huub Beurskens