dinsdag 1 mei 2018

GRIET OP DE BEECK EN DE VORM

Beeld: Wiesław Wałkuski

Met weinig meer dan vooringenomenheden, zou je kunnen zeggen, begon ik aan de lectuur van de tekst die de Vlaamse schrijfster Griet op de Beeck op 23 april jongstleden in Nijmegen uitsprak als Frans Kellendonklezing 2018. Ik had nooit eerder iets van Op de Beeck gelezen en er ook geen behoefte toe gevoeld. Dat op grond van enkele besprekingen van haar werk alsmede optredens van haar in populaire of elitair-populistische televisieprogramma’s zoals De Wereld Draait Door. Met stilistisch of artistiek interessante literatuur had dat werk, aldus mijn indruk via de media en haarzelf daarin, niet zo veel van doen. Ook het op verzoek van de CPNB door haar geschreven Boekenweekgeschenk liet ik links (of rechts) liggen; die stichting heeft immers vooral, zo niet uitsluitend belang bij het economische welzijn van de boekenbranche. Er was meer dan genoeg lezenswaardiger, leek me. En Op de Beeck, begreep ik, was een schrijfster die de kassa’s deed rinkelen. Ook persoonlijk kende ik Griet op de Beeck uiteraard helemaal niet. Het enige beeld dat ik van haar fysiek had – die vrouw met dat typische kapsel – was dat wat mijn Samsungscherm me min of meer bij toeval zo nu en dan had voorgeschoteld. Wel was ik ervan op de hoogte dat ze niet zo lang geleden openbaar had gemaakt dat ze als meisje door haar vader was misbruikt. Maar paste ook dat niet in de trend van schrijvers met en over incest, aanrandingen, scheidingen enzovoort? Alsof de literatuur eindelijk had ontdekt met dezelfde letters te beginnen als de Libelle en ik zelf het als schrijver de augustijnen welhaast kwalijk zou moeten nemen dat ze tijdens mijn schooltijd op hun college met geen vinger of wat dan ook aan me hadden gezeten.
            Maar de commissie die de jaarlijkse Frans Kellendonklezing organiseerde, was dat geen ‘ander volk’? Onder meer Vogelaar, Otten, Fens, Heijne, Van der Heijden behoorden tot de voorgangers van Op de Beeck. Die context maakte me net nieuwsgierig genoeg om haar tekst te gaan lezen.
Laat ik meteen verklaren nog steeds niet geneigd te zijn me op en in een roman van Griet op de Beeck te storten. Wat ze op nogal zwalkende wijze betoogt over de rol of functie van literatuur, strookt niet met wat ik in de eerste en laatste plaats in literatuur zoek. Compositie, stijl, ritme – het zijn zaken die in Op de Beecks lezing geen rol spelen. Daarnaast wil zij ‘proberen totaal eerlijk met onszelf te zijn’ en ‘durven kiezen voor de blooteerlijke versie van onszelf’, terwijl ik meen dat zoiets onhaalbaar want onbestaanbaar is. Ik schrijf en lees zelf ook geen romans om de therapeutische uitwerking daarvan. Voor zover ik psychologisch in de weer kan en wil zijn in en met een roman is dat volgens de formule: schrijven = to enjoy your symptoms. Met dat aan de filosoof en psychoanalist Slavoj Žižek ontleende tweede deel van de vergelijking wil ik aangeven dat ik net als Op de Beeck geloof dat je al schrijvende (of lezende – wat voor een schrijvende schrijver grotendeels hetzelfde is) zaken uit en in jezelf naar boven kunt halen. Alleen, en daarin verschil ik dan weer volkomen van de Vlaamse schrijfster, geloof ik niet in het therapeutisch effect ervan erna, omdat ik niet geloof dat je ooit zoiets als ‘jezelf’ zult kunnen zijn. Vandaar de volgende boude vergelijking: geschreven hebben = nog meer reden tot zelfmoord hebben. Mij is geen schrijver van belang bekend die na gedane arbeid en dankzij dat geschrevene een ander, beter en gelukkiger mens is geworden. De enige remedie: weer schrijven. Op de Beeck haalt in haar Kellendonkrede Sartre aan. Ik hou het liever op Camus: ‘Il faut imaginer Sisyphe heureux’ – wanneer Sisyphus zijn steen weer bergop kan rollen, neem ik aan.
            Anderzijds geloof ik Op de Beeck op haar woord wanneer ze zegt dat ze na de openbaarmaking van haar incestverhaal ‘een kleine tweeduizend mails [kreeg] van allerlei mensen: van psychiaters en aanverwante hulpverleners […], van slachtoffers en verwanten van slachtoffers [etc.].’ Eveneens kan ik me voorstellen dat (haar) romans een dergelijke uitwerking kunnen hebben, dat ze lezers psychisch steun geven of bevestigen. En daar is op zich niets mis mee. Alleen denk ik dat zoiets niet specifiek voor literatuur is, dat het ook door praatsessies, door stotterend en snotterend en in feite wanordelijk en clichématig vertellen van verhalen over ervaringen kan, bijvoorbeeld. In elk geval, laat ik het zo stellen, is haar literatuur de mijne niet.
            Het zij zo. Geen verrassing eigenlijk. En toch zijn er twee punten in haar lezing die me voor haar innemen. Ja, eerder voor haar als persoon zelfs dan voor haar betoog. Het ene vrijwel in het begin van haar tekst, het tweede op het eind.
            Om met dat laatste te beginnen. In de slotalinea roept ze haar lezers of toehoorders op aan de slag te gaan met ‘uw wonde’. Zoals een psycholoog dat ook zou kunnen doen, lijkt me. En dan komt deze voor mij cruciale zin: ‘Maak uzelf niet wijs dat u er geen hebt, we hebben er allemaal een.’
            Dat vind ik van een geweldig, even royaal als loyaal inzicht getuigen. Op de een of andere wijze, zegt ze dus, is iedereen getekend, daar hoef je niet per se incestslachtoffer of pijnlijk gescheiden vader of moeder voor te zijn. Ik ben het volledig met haar eens.
            Het eerste punt is net zo cruciaal. Op de Beeck begint haar lezing met zich voor te stellen dat ze die moet gaan houden en daarbij ziet ze in de zaal eigenlijk maar drie toehoorders zitten, toehoorders die haar beangstigen, want die haar alle drie hebben gekleineerd, haar een vorm, een beeld van haarzelf hebben opgelegd, zoals spoedig blijkt. Een vroegere geliefde die haar kwetste door haar voor dom uit te maken, de vader die prestige van haar wilde maar haar tegelijkertijd seksueel misbruikte, en een recensent met ‘raar haar’ wiens vernietigend oordeel over haar werk en haarzelf – of moet ik het los van elkaar schrijven: haar zélf? – ze niet eens heeft durven lezen na wat ze erover had gehoord.
            Het doet er niet toe hoe die geliefde, hoe die vader en hoe die recensent heette, al heb ik zelf van die laatste meer dan een vermoeden. Waar het om gaat is haar aanklacht tegen het feit dat anderen haar vorm bepaalden en nog steeds bepalen, haar met hun beeld van haar willen vastprikken. Het verzet dáár tegen en het eraan proberen te ontkomen: als je dat eenmaal ziet en voelt, voel en zie je het door haar hele betoog heen, ook onder haar zelfhulpgroeperig aandoend pleidooi voor een psychoanalyserende en therapeutiserende herkenningsliteratuur.
            Misschien heeft ze het niet eens zelf al bewust in de gaten en komt daar die zwabberige (zoekende) redeneertrant vandaan. Maar ik ervaar het als Gombrowicziaans probleem waar ze mee worstelt, zonder dat de naam van de Pool of diens verdere kunst- en levensopvatting eraan te pas komen. De mens die een smoel door anderen opgedrongen krijgt. Ik herken dat.
____________________
Griet op de Beeck, Play It Fuckin’ Loud, uitgeverij Vantilt, 24 pagina's, 2018