zaterdag 5 januari 2013

MIJNGASLUCHT


Even een schoolvoorbeeldje van perfiditeit: A.H.J. Dautzenberg in NRC Handelsblad van 4 januari 2013 over In en onder het dorp van Wiel Kusters.

– Speculeren op het onderbuikgevoel van de lezer / het volk, door te beginnen met op te merken dat het boek indirect tot stand is gekomen met overheidsgeld, de uitgave vervolgens af te kraken en te betitelen als een ‘oubollig en gemakzuchtig egodocument’, en het als een staaltje van  overheidsgeldverkwisting (‘Limburgse’ – dan weet je het wel…) neer te zetten: ‘Het “dank aan de subsidiënten” achterin krijgt daardoor iets wrangs,’ aldus de bespreker, die nalaat erbij te vermelden dat hij voor eigen schrijverij overheids- dus andermans belastinggeld ontvangt.


– Vermelden van het voor de inhoudelijke bespreking (van niet eens 700 woorden) voor de betreffende uitgave weinig of niet relevante gegeven dat de auteur als hoogleraar Nederlandse letterkunde verbonden was aan de Universiteit Maastricht.

– Het vermelden van die voormalige keurige baan voorts gebruiken om de auteur te kunnen bestempelen als ‘opgeklommen mijnwerkerszoon’ die zichzelf als zodanig en dus over de hoofden van de mijnwerkers die ‘hun serviliteit koesterden’, middels zijn boek ‘in het zonnetje’ zet.

– Vervolgens louter omwille van het laten doorklinken van dedain vragen: ‘Waar schijft de emeritus hoogleraar over?’ Op zich een nodeloze, krappe tekstruimte verslindende vraag, aangezien een antwoord erop prompt door de vraagsteller wordt meegeleverd. Op meer dan 30% van de bespreking van dit boek, is Kusters’ voormalige baan al drie keer aan de orde geweest! Dat vertelt op zijn minst al evenveel over de obsessies van de bespreker als over die van de besprokene (die ‘trots is op zijn wortels’ zoals we al weten ‘sinds zijn debuut als dichter in 1978’). Alleen lijken die van de bespreker van een meer psychische oorsprong.

– Staat dat vermelden van trots zijn op zijn wortels trouwens niet in rare verhouding tot de aantijging dat Kusters zichzelf over de hoofden van de mijnwerkers in het zonnetje zet?

– Beweren dat ‘de interessantste passages’ die zijn waar de auteur ‘aangehaalde citaten’ (?) gebruikt (‘soms paginalange’ – Allemachtig!) van anderen, en het presteren niet één van de gedichten van Kusters zelf te noemen, laat staan er een te belichten, gedichten die een essentieel onderdeel vormen van de compositie en die hier nu voor het eerst tegen hun achtergrond en in een buitenliteraire context te lezen zijn. Je zou er op zijn minst even met andere ogen naar hebben kunnen kijken.

– Daarentegen zelf de geleerde uithangen door Kusters te berispen vanwege diens gebrek aan geleerdheid: ‘Hij had op zijn minst de romantische schrijver E.T.A. Hoffman (!) kunnen aanhalen, die met zijn verhaal “Die Bergwerke zu Falun” (…).’ Wat een armetierig staaltje pedanterie, waaruit blijkt dat de bespreker het werk van Kusters helemaal niet kent, al geeft hij de onwetende krantenlezer een andere indruk. Al in 1984 had Kusters het over HoffmanN en het Zweedse Falun (in Een bezoek aan de leermijn); zelfs toen al, als zeventienjarige Zuid-Limburgse scholier, had deze Dautzenberg daar kennis van kunnen nemen.

– Kusters verwijten niet te weten ‘welke pet hij op moet zetten: die van wetenschapper, dichter of mijnwerkerszoon’, alsof dat hier überhaupt een kwestie, een keuze zou moeten zijn! Het zegt opnieuw een en ander over de hoogte van de pet die men voor de bespreker op zou moeten hebben.

– ‘Zijn familiegeschiedenis lijkt er met de haren bijgesleept.’ De familiegeschiedenis van een mijnwerkersgezin met een hele familiale mijnwerkerstraditie…?

– ‘En dreigt het interessant te worden (…) dan gaat het toch vooral…’ Een prachtig symptoom van vooringenomen vuigheid, het hier inzetten van dat werkwoord.

–  ‘Het zal allemaal wel,’ over anecdotes als die over de mantouxtest om vroegtijdig bij kinderen eventueel tuberculose op te sporen en de angst voor de uitslag die daarmee gepaard ging. De bespreker is kennelijk te winderig om zich voor zoiets, dus voor het werkelijke leven van de mensen daar en toen in die mijnstreek, te willen interesseren.

– Samengevat zegt deze bespreking over de rug van het boek en het hoofd van de auteur heen, het meeste over de bespreker zelf, een bespreker die zich pedant voordoet, zichzelf in het zonnetje wil zetten ten koste van een ander, die narcistische trekken vertoont en daarbij noodgedwongen gemakzuchtig te werk is gegaan. Waar zijn evident bespeurbare ressentiment vandaan komt, is me een raadsel. Ik ken de bespeker niet. Dat is ook meer voer voor psychologen, lijkt me. Misschien mag je de bespreker zijn journalistieke wanprestatie dan ook niet al te zeer aanrekenen. De krant die dit publiceerde echter des te meer.