zondag 17 juni 2018

GIFTIG GETIKTE AFORISMEN - 3



Vrij naar Grock en Max van Emden:
‘Heb een neue Freund. Kafka ist mein Freund.’
‘Wat zegt u, Kafka is uw vriend?’
‘Ja, mein vriend.’
‘Kom nou, zeg, Kafka is dood!’
‘Wieso hij is dood? Kafka? Nee!’
‘Jazeker.’
‘Warum?’
‘Gestorven.’
‘Wie lang?’
‘Bijna honderd jaar.’
‘Honderd jaar?’
‘Ja.’
‘Oh! Wie die tijd vergaat!’
*
Na het verbreken van een liefdesrelatie of een vriendschap verbrandde hij steevast alle brieven die hij had gekregen.
Ook brieven van literaire vriendschappen?
Die meteen.
Kreeg hij daar geen spijt van?
Jawel. Van de liefdesbrieven omdat hij ze naderhand terug had willen lezen, van de literaire omdat hij ze niet opnieuw kon verbranden.
*
‘Kunnen wij onze polemiek niet beter stopzetten?’
Met die woorden begon de brief die een dichter aan de dichter schreef.
Tien jaar lang voelde hij zich verwarmd door deze onverwachte handreiking en koesterde hij de zo persoonlijke brief.
Totdat hij in een postuum uitgegeven brievenboek de tekst ervan woordelijk aantrof.
Sindsdien voelt hij zich met terugwerkende kracht door de al lang overleden dichter verneukt.
*
Al die gestiliseerde nepbrieven van schrijvers, niet bestemd voor hun zeer geëerde adressanten maar voor de eer van hun eigen later. Gelukkig leven we niet meer in de tijd van vulpen en postkoets, en is ‘later’ inmiddels een reële apocalyptische angst of een naïeve droom. Praktisch ondenkbaar toch dat er over honderd jaar nog zoiets als een Nederlandse literatuur zal bestaan? Zou een schrijver sowieso niet moeten werken met het perspectief van een wereld die nog tijdens zijn leven of pal erna zal vergaan? Waartoe dan überhaupt nog schrijven van romans, gedichten? Daarom juist, vraagtekenloos: waartoe.
*
Dat hij, wat hij al vermoedde, aan de schrijver Y geen compagnon de route meer had, besefte hij ten volle, niet toen hij hem ten zeerste had afgeraden een tekst te publiceren die hem zoals gebruikelijk ter beoordeling was voorgelegd en hij die tekst desondanks zag verschijnen, maar toen hij daarna een uitgave zag van een tekst die hij nooit onder ogen had gekregen.
*
Dat hij, wat hij al vermoedde, aan de schrijver X geen compagnon de route meer had, besefte hij ten volle toen niet de schrijver zelf maar diens nieuwe vrouw hem er als zakenbehartiger pinnig aanmanend op wees dat hij ‘als vriend’ niets over iets persoonlijks tussen de schrijver en hem hoorde te publiceren, terwijl hij het had gedaan uit vriendschappelijke trots.
*
Wanneer er net als voor advocaten voor literatuurcritici een deken zou bestaan, zouden er meerdere Bram Moskowicz blijken te heten.
*
‘I’s verdienste is dat hij de [B-]ramp tot literair symbool heeft gemaakt.’
Hoe talrijk zijn zulke uitspraken die je je dom doen voelen omdat ze zo slim klinken, maar die dom zijn omdat ze je niets wijzer maken.

Zie HIER aflevering 1 en HIER aflevering 2