donderdag 4 mei 2017

DE APPELBOOM


Dat het een appelboom was nam ik als vanzelfsprekend aan,
hoewel er in Genesis geen sprake is van klasse, genus, soort.
In de preken van pastoor, de godsdienstlessen van de kapelaan
had ik waarachtig nooit iets over een andere vrucht gehoord.
En wat stond er van glas in lood achter de engel aan de poort,
met stippels rood? Een appelboom. We hadden er een staan,

verscholen achter het hondenhok, in de tuin waar ik me heerlijk
vrij schuil mocht houden, afgeschermd door aan drie kanten
een hoge ligusterhaag. Dat mijn vader hem geplant had eigenlijk,
net als die hagen, de seringen, rozen, hortensia’s en chrysanten,
besefte ik net zomin als dat ik genoot omdat ik dacht zie hoe ik
hier geniet. Een schraal geval was het, de vruchten wormstekig,

te schamel zelfs voor moes. Mijn vader kreeg een nieuwe baan,
in pak, ik ging leren bij de paters in de stad en het hok ging plat,
tegels achter het huis en een strak gazon. Als vanzelfsprekend
was de wereld begonnen met vergaan. Was het niet Luther die
zei dat als hij wist dat de wereld morgen verging hij vandaag
nog een appelboom planten zou? Wij hadden er een staan.



© HB 2017