vrijdag 3 januari 2014

GEWEIGERDE INGEZONDEN BRIEF

Ontvangen e-mailbericht dd 3/1/2014:

"Geachte heer Beurskens,

Uw brief zullen wij helaas niet meenemen. We hebben meerdere reacties over dit onderwerp ontvangen en een selectie gemaakt voor de ingezonden brievenpagina van aanstaande maandag. We streven bij de selectie ook naar variatie in brievenschrijvers. Aangezien u deze week al in de krant stond als (mede-)ondertekenaar van een ingezonden brief gaat onze voorkeur nu naar andere deelnemers aan de discussie uit.
Over onrecht gesproken: u heeft op uw weblog een link naar een pagina uit onze krant. Voor zover ik weet heeft u ons geen toestemming voor integrale overname van dit artikel gevraagd. Mocht u evenmin toestemming hebben van de heer Dautzenberg als schrijver van het artikel, dan is er sprake van een onrechtmatige overname. Ik adviseer u in dat geval het artikel van uw weblog te verwijderen.

Met vriendelijke groet,

Han Brinkman
Adjunct-hoofredacteur"

En de tekst van de ingezonden brief:

In tegenstelling tot wat de redactie erover beweert is de ‘boodschap’ van Dautzenbergs tekst allerminst prikkelend of interessant, laat staan dat er een ‘verfrissend geluid’ uit zou opklinken. Wat de scribent lijkt te willen formuleren komt neer op twee onzinnigheden. Het vermeende ‘reanimeren van het mijnverleden’ een halt toeroepen is quatsch: afgezien van het feit dat een verleden als zodanig niet hoeft te worden gereanimeerd om te kunnen voortbestaan, kan niemand zich daar toch iets concreets bij voorstellen? Heropening van de mijnen misschien? Wie wil dat nou? Een verbod op het verleden dan? En het afschaffen van het levende dialect (of van de levende dialecten, want in Tegelen spreekt men heel anders dan in Kerkrade)? Hoe leg je dat op en handhaaf je het? Er zijn vast voormalige Stasimedewerkers die adviezen zouden kunnen geven. Hoe dan ook, een oproep om het verleden, maar ook het heden af te schaffen. Bijgevolg om de provincie Limburg als zodanig op te doeken, want wat onderscheidt dat gebied dan nog van de rest van ‘Holland’? Niets dan larie dus, die boodschap.
         Maar juist de nepcitatenkwestie laat zien hoe kwalijk in feite Dautzenbergs instelling tegenover het specifieke, onvervreemdbare en individuele is. Daar komt hij metterdaad schendend aan dat grondrecht van het persoonlijke. Dat de redactie dit heeft laten gebeuren onder het voorwendsel van het literaire spel, getuigt van of blindheid of dedain voor zowel de waardigheid van het individuele en eigene, als voor de waardigheid en waarachtigheid van de literatuur. En zou de belastingdienst ook verzinsels accepteren omdat Dautzenberg een schrijver heet te zijn?
Dautzenbergs tekst is waardig noch waar, en zelfs niet eens waar-‘achtig’, maar in alle opzichten, dus ook als ‘fictie’, onfris. Dat Dautzenberg elders beweert zijn verlegenheid en gevoelens van minderwaardigheid te moeten overschreeuwen, vormt hier geen excuus; het verleden laat ons wel meer van zulke overschreeuwers zien.

Huub Beurskens (schrijver), Tegelen/Amsterdam

NB De tekst van het door A. Desmaadschrijver afgeleverde krantenstuk is simpelweg op diens website te lezen.