Kees 't Hart schrijft in De Groene Amsterdammer van deze week over De hemelse kamer. Tot op twee-derde van zijn artikel doet hij dat enthousiasmerend en met het uitdelen van fraaie veren voor in het achterste van de auteur. Dan bereikt hij, net als bij zijn lectuur van de roman, een punt waarop hij het zo frustrerend vindt dat zijn persoonlijke dromen en sentimenten jammerlijk worden verstoord, dat hij om- en dichtslaat.
'Waarom mocht ik geen verlangende lezer blijven?'
Hij is dan ook niet meer bij machte om in de tweede hartkamer van de tekststroom rondpompende roman door te dringen, debiteert prompt clichématige flauwekul over literatuurtheoretische bedoelingen plus feitelijke slordigheden.
'Waarom mocht de hoofdpersoon geen verlangende minnaar blijven?' zou een al heel wat betere vraag zijn geweest.
Maar verder is het dus een bevlogen lovend stuk, geloof ik. De rest vergeten we, hoop ik.
(Lees ook het vervolg.)
'Waarom mocht ik geen verlangende lezer blijven?'
Hij is dan ook niet meer bij machte om in de tweede hartkamer van de tekststroom rondpompende roman door te dringen, debiteert prompt clichématige flauwekul over literatuurtheoretische bedoelingen plus feitelijke slordigheden.
'Waarom mocht de hoofdpersoon geen verlangende minnaar blijven?' zou een al heel wat betere vraag zijn geweest.
Maar verder is het dus een bevlogen lovend stuk, geloof ik. De rest vergeten we, hoop ik.
(Lees ook het vervolg.)
