Ooit, toen hij nog recensent voor Vrij Nederland was, etiketteerde Carel Peeters het proza en de persoon Stefan Hertmans als iets en iemand met ‘postmoderne schoudervullingen’. Dat is lang geleden en Hertmans heeft, Peeters’ couturekritiek ten spijt, inmiddels een stevige reputatie opgebouwd. Dat moet Peeters onlangs hebben beseft tijdens het opstellen van zijn VN-column over De mobilisatie van Arcadia, de recente essaybundel van Stefan Hertmans, want hij heeft het nu op zijn minst met respect over de auteur en diens werk. En toch kan hij het niet laten, toch kruipt Peeters’ bloed op een gegeven moment waar het niet gaan kan:
‘Hertmans is een erudiet en scherpzinnig essayist, maar hij loopt zichzelf met zijn grote kennis soms voor de voeten door te laten zien hoeveel kanten een zaak wel niet heeft. Hij heeft de neiging zijn onderwerp stuk te documenteren. Dat maakt zijn essay over dat andere Arcadia onnodig ingewikkeld. Dat andere Arcadia krijgt wel tien gezichten omdat veel schrijvers en denkers er een iets andere betekenis aan hebben toegekend. En die zijn niet allemaal even belangrijk. Hertmans moet het aan slot van het essay drastisch versimpelen om het oorspronkelijke Arcadia nog net te redden. Maar dan hebben we al heel wat wegen en zijwegen gehad.’
Laten zien hoeveel kanten een zaak wel niet heeft, zoals Peeters het pseudowiskundig formuleert: is dat niet juist de taak die een essayist niet wel mag verwaarlozen? Dat andere Arcadia krijgt ‘wel tien gezichten’: zou dat niet juist relevant zijn voor wat Hertmans erover wil betogen? Staat of ligt Arcadia niet precies tegenover eenduidigheid? En wat te denken van de erop volgende Peeterszin, ‘Hertmans moet het aan slot…’? Een ongelukje als het wegvallen van een lidwoord kan menigeen overkomen, maar wat zou Peeters in hemelsnaam met dat ‘het’ als voornaamwoord bedoelen? Het is uit de taalstructuur van het eraan voorafgaande nauwelijks of niet uit te maken.
Het gaat me echter niet zozeer om dit soort krukkigheden, als wel om de kennelijk halsstarrige afkeer van veelheid, volheid, gulheid, eruditie, veelkantigheid, optiekwisselingen, doorkijkjes, onuitputtelijkheid, enzovoort, en om de verdachtmaking van een literatuur die niet alleen dít wil zeggen, maar dát nog, en ook dit…
Het gaat me echter niet zozeer om dit soort krukkigheden, als wel om de kennelijk halsstarrige afkeer van veelheid, volheid, gulheid, eruditie, veelkantigheid, optiekwisselingen, doorkijkjes, onuitputtelijkheid, enzovoort, en om de verdachtmaking van een literatuur die niet alleen dít wil zeggen, maar dát nog, en ook dit…
Afgezien van het feit dat Peeters met zijn stukje, dat zich beperkt tot anderhalf essay, het boek van Stefan Hertmans sowieso tekort doet in al zijn volheid (met aandacht voor ‘overvolle’ kunstenaars en filosofen, zoals Tiepolo en Sloterdijk, en met politiek-ideologische aspecten die slechts door een blinde over het hoofd kunnen worden gezien): staat of ligt Arcadia niet ook precies tegenover afgepastheid en terughoudendheid?
Opgeblazenheid is altijd te veel, maar een teveel is niet altijd opgeblazenheid, soms is het een regelrechte weelde.
